by

Specht

In 2014 verhuisde ik naar Rotterdam, in die dagen was de stad net af. Dat gevoel kreeg je alleszins: er waren verschillende nieuwe gebouwen opgetrokken die toen tegelijk klaar waren. Toeval of niet, ik weet het niet. Het appartement waar we toen woonden lag dicht bij de stad, maar het was opvallend stil. Ik kon vogels horen fluiten, mensen praatten met elkaar van balkon tot balkon en op een vroege ochtend keer tikte een specht tegen het raamkozijn. Het was zo luid dat ik er wakker van werd.
Wat later kocht ik samen met mijn vriendin onze huidige woning: een prachtige jaren ’30 bovenwoning, niet ver van ons eerste appartement. Het ligt in een stille straat met amper doorgaand verkeer, de achterkant kijkt uit op de tuinen van de straat. De eerste keer dat we gingen kijken hoorden we vogels fluiten.

Schrijver Rotterdam column

Stedelijk leven, het was anders dan ik me had voorgesteld.

Niet veel later was de recessie goed en wel afgelopen, de stad veranderde in een grote bouwwerf: de leegstaande gebouwen achter ons huis werden omgebouwd tot lofts, de straat werd opgebroken en er kwam een nieuwe riolering te liggen (ik trilde ‘s ochtends zowat mijn bed uit). Zo goed als alle huizen rondom ons kregen nieuwe eigenaars die vrolijk schuurden en klopten. Bij het ziekenhuis, een kilometer verderop, verrijst op dit moment een nieuw appartementsblok. Dus nu hoor ik (en de rest van centrum Rotterdam) constant gehei.

Ik weet het: dit is het leven in een stad en klagen helpt niet – dat doet alleen een koptelefoon met noise cancelling. En ik weet het: ik heb zelf ook geschuurd, geboord en geklopt tot elf uur ’s avonds tijdens onze verbouwing. Maar ik heb het gevoel dat ik ben beetgenomen: het Rotterdam uit de recessie is waarvoor ik heb getekend. Ik geloof dat ik niet de enige ben die zich bekocht voelt. Die specht, bijvoorbeeld, heb ik sindsdien nooit meer gehoord.